Bij het stoplicht gebeurt het: een man in een auto waant zich onbespied. Zijn wijsvinger verdwijnt in zijn neus, hij wroet en graaft, tot hij triomfantelijk een vondst aan het licht brengt. De toeschouwer in de auto naast hem zegt tegen zijn medepassagier: kijk eens wat vies. Toch is de kans groot dat diegene thuis zelf ook weleens de binnenkant van zijn eigen neus inspecteert.
Neuspeuteren vinden we smerig, maar bijna iedereen doet het. In een Amerikaans onderzoek uit 1995 gaf 91 procent van de mensen toe weleens te peuteren. De afkeer die we voelen bij het zien van een peuteraar is universeel, zegt Florian van Leeuwen, sociaal psycholoog aan de Universiteit van Tilburg die onderzoek doet naar de evolutionaire psychologie van walging. ‘Snot hoort bij de lichaamsvloeistoffen, net als zweet, oorsmeer en ontlasting, die instinctief walging oproepen.’
Toch walgen we niet als we achter gesloten deuren naar de wc gaan of ons eigen snotje verwijderen. ‘Het gedrag wekt pas afschuw op als het in het openbaar gebeurt’, zegt Van Leeuwen. ‘We zien dan iemand die de hygiëneregels overtreedt. Dan komt ons zogeheten behavioral immune system in actie’, legt Van Leeuwen uit. De emotie walging is onderdeel van dit psychologische mechanisme en werkt als een soort schild om ons te beschermen tegen infectieziekten. Nabijheid is hierbij een doorslaggevende factor, legt Van Leeuwen uit. ‘Hoe dichter in de buurt de handeling van een ander gebeurt, hoe luider de alarmbellen in ons brein rinkelen.’
Lees hier het volledige artikel.
