Van aderlating tot AI: de evolutie van medisch onderzoek – deel 1
Wilden artsen vroeger een hersentumor opsporen met een röntgenfoto, dan vervingen ze hersenvloeistof door lucht. Dat gaf een beter contrast en daarmee meer duidelijkheid op de foto, maar ook heftig braken en wekenlang hoofdpijn.
Dankzij de ontdekking van de röntgenfoto in 1895 konden artsen voor het eerst in het lichaam kijken. Vooral harde structuren komen daarmee goed in beeld, zoals een schedel of gebroken bot. Maar zacht weefsel, zoals een hersentumor, is amper zichtbaar.
Daar bedachten artsen in de vorige eeuw iets op. Ze injecteerden lucht in de hersenen. ‘Op zich heel slim bedacht’, vertelt radioloog Ritse Mann van het Radboudumc. ‘Want alles in je hersenpan lijkt qua samenstelling op elkaar, het is vooral water. Als je lucht injecteert, krijg je veel meer contrast en dat maakt je röntgenfoto duidelijker.’
Hersenvloeistof opzuigen
Maar je kunt niet zomaar lucht inspuiten in de hersenen, daar moet je eerst ruimte voor maken. Daarom zogen die artsen alle hersenvloeistof op, met een naald laag in de rug. Ze haalden er soms wel anderhalve liter uit. Daarna spoten ze lucht naar binnen. Om vervolgens de lucht op de juist plek te krijgen, draaiden ze de patiënt op allerlei manieren, tot aan ondersteboven hangen toe.
Lees hier het volledige artikel.
