5 vragen over wagenziekte.
Als passagier word je sneller wagenziek dan als bestuurder. Hoe komt dat, waarom zijn sommige bewegingen misselijkmakender dan andere en wat kun je doen om klachten te voorkomen?
Het is een gezellige bende in de auto op vakantie. De kinderen vermaken zich met elkaar, de hond die achterin zit is blij dat ie ook mee mocht en zelf zit je er ook lekker in. Tot de afslag van de snelweg. Het landweggetje waar je op komt te rijden wordt steeds steiler en bochtiger, de kinderen steeds stiller en de hond krijgt last van een omgekeerde peristaltische reflex. Je hebt last van één van de grootste sfeersponzen van elke vakantietrip: wagenziekte. Het goede nieuws: jij kan erger voorkomen.
In deze aflevering van de serie ‘Hoe overleef ik de zomer’ duikt Nemo kennislink samen met bewegingsexpert Jelte Bos (TNO en Vrije Universiteit) in een deels te voorkomen fenomeen: wagenziekte.
Waarom worden we wagenziek?
“Wagenziekte ontstaat wanneer de binnengekomen informatie niet overeenkomt met wat de hersenen verwachten. Dat komt doordat je als medepassagier autobewegingen passief meemaakt en de beweging niet zelf bepaalt. Daardoor zijn de hersenen afhankelijk van zintuiglijke informatie, die altijd iets achterloopt op de werkelijkheid, omdat je hersenen tijd nodig hebben om die te verwerken. Door die foutmarge ontstaat een conflict in de hersenen, wat leidt tot wagenziekte en daarbij horende symptomen als misselijkheid, zweten en mogelijk overgeven. Het verklaart waarom passagiers vrijwel altijd misselijker worden dan bestuurders: bestuur je zelf, dan weten de hersenen wél wat er gaat gebeuren.”
Lees hier het volledige artikel.
