Van aderlating tot AI: de evolutie van medisch onderzoek – deel 3.
De neustrilhaarscan moest vroeger laten zien of de trilhaartjes in de neus goed functioneren en snot netjes opruimen. De scanner volgde daarvoor de beweging van een radioactief druppeltje in de neus. Maar het resultaat was zelden duidelijk. En daarbij: ‘Eén keer niezen, en de scan was mislukt.’
Hele tapijten van miljoenen microscopisch kleine neustrilharen doen, in de woorden van kinderlongarts Jolt Roukema van het Radboudumc, ‘vijftien keer per seconde de wave.’ Met die golvende bewegingen voeren ze slijm af naar de keelholte, met een snelheid van ongeveer acht millimeter per minuut. Dat slijm zit vol stof en ziekteverwekkers, en kan dan netjes worden doorgeslikt of opgehoest. Resultaat: vijf keer per uur een keurig schone neus.
Maar bij sommige mensen werken die trilharen al vanaf de geboorte niet goed. Hoe kom je daar achter? ‘Vroeger deden we een neustrilhaarscan’, vertelt Martin Engels, de gepensioneerde laborant die veertig jaar lang scans begeleidde in het Radboudumc. ‘De patiënt kreeg dan een minuscuul druppeltje licht radioactieve vloeistof in de neus. Met een scanner konden we de radioactiviteit meten en zo volgen of de neustrilhaartjes het druppeltje netjes richting de keelholte werkten.’
Lees hier het volledige artikel.
