Na je dertigste begint trainen echt te tellen

Als veertiger trainen zoals toen je twintig was, dat zit er niet in. Maar sporten en bewegen wordt met elk levensjaar belangrijker om later zelfredzaam te blijven. En topprestaties blijven mogelijk. “Iemand van tachtig is nog uitstekend trainbaar.”

Polsstokhoogspringen is technisch. De twintig meter aanloop moet constant verlopen, anders kom je niet uit met de laatste stap. Je moet vaart zien te maken met een vier meter lange stok in je handen. En dan is er natuurlijk de sprong zelf. “Dat complexe maakt het leuk”, zegt Michel van Osch (77), die na jaren van voetbal, langeafstandslopen en sporadisch een tienkamp op 62-jarige de overstap maakte naar polsstokhoogspringen.

“Ik stond tussen jonge gasten van twintig die dezelfde basisvaardigheden leerden.” Drie keer per week traint hij bij HAAG Atletiek, voor zijn plezier, maar ook voor de competitie. Half februari staat hij op het NK Indoor Masters, het atletiektoernooi voor 35-plussers. In maart staan de Europese kampioenschappen op de agenda. “Als het meezit natuurlijk en ik geen blessure oploop.”

Van Osch heeft altijd gesport, wat geen vanzelfsprekendheid is. Het aantal Nederlanders dat wekelijks sport daalt met de leeftijd, laten cijfers van het CBS en RIVM zien. Van de kinderen tot elf jaar sport 64 procent minstens één keer per week, van de jongeren 73 procent. Maar kijk je naar volwassenen tussen achttien en vierenzestig jaar, dan is het nog maar 59 procent. En van de 65-plussers nog 40 procent.

Lees hier het volledige artikel.