We hebben het in De DNA dialogen over ingrijpen in embryo-DNA. Maar zijn we wel volledig als we het hebben over embryo-DNA? Klopt de definitie? En waarom is het belangrijk om deze vraag te stellen?
Stel je voor: er is brand in het laboratorium. Iedereen is al naar huis: jij bent de enige in het pand. Je voelt de hitte dichterbij komen. Je hebt nog een paar minuten en dan moet je echt weg. Dan zie je twee deuren. Links een deur met daarachter ingevroren embryo’s. Achter de rechterdeur bevindt zich een vriezer met daarin geslachtscellen. Er is net genoeg tijd om één van de twee mee te nemen. Welke deur kies je?
Zelfde uitkomst?
Geslachtscellen en embryo’s: het is allebei leven. Maar het voelt anders. In De DNA dialogen vragen we mensen hoe zij denken over het verwijderen van erfelijke ernstige aandoeningen of ziektes met CRISPR-Cas (de ‘moleculaire schaar’ waarmee we DNA kunnen aanpassen). We stellen hen ook de vraag of we het erfelijk materiaal van toekomstige generaties mogen aanpassen. Dat kan door embryo-DNA aan te passen (wat wereldwijd verboden is), en dat kan óók – in theorie – een stap eerder: door het aanpassen van het DNA van geslachtcellen (wat ook wereldwijd verboden is, als ze daarna gebruikt worden om een embryo van te maken). Om het niet te ingewikkeld te maken, noemen we in de dialogen en in de artikelen hierover op NEMO Kennislink alleen het aanpassen van embryo-DNA. Helemaal compleet zijn we daarmee niet. Maakt dat uit?
Lees hier het volledige artikel.
